Zoeken

De één of de ander? Sophie van Gool of Liesbeth Staats


In 2021 verschenen in rap tempo na elkaar twee boeken die hetzelfde thema aansneden. Allereerst publiceerde econome en onderneemster Sophie van Gool in september haar werk Waarom vrouwen minder verdienen en wat we eraan kunnen doen, waarna in november Waarom vrouwen minder werken dan mannen (en dat ook jouw probleem is) van journaliste Liesbeth Staats volgde. De erg op elkaar lijkende titels - die zeker voor wat verwarring zullen hebben gezorgd - zinspelen beide op bestaande vooroordelen over vrouwen op de arbeidsmarkt, beloven antwoorden te geven op prangende vraagstukken omtrent dit thema, spreken de lezer direct aan en hinten concrete oplossingen te zullen geven. Maar welke is daar het beste in geslaagd?


Handleiding of betoog


Een blik op de achtergrond en de CV’s van beide vrouwen, maakt meteen duidelijk dat zowel Van Gool als Staats gepassioneerd zijn over hetzelfde onderwerp. Van Gool werkte op de Zuidas van Amsterdam toen ze erachter kwam hoe weinig vrouwen betaald kregen voor hetzelfde werk als de mannen. Ze raakte zo geïnteresseerd in het fenomeen, dat ze haar goedbetaalde baan opzegde om haar adviesbureau Salaristijger te kunnen beginnen, waarmee ze ondernemingen in Nederland begeleid bij het aanpakken van seksisme op de werkvloer. Haar boek is als het ware de geschreven versie van die begeleiding. Staats ervaarde bij het combineren van haar persoonlijk leven en haar carrière als journaliste dat ze anders werd behandeld dan haar (mannelijke) partner en collega’s. Eind 2020 werd de door haar gemaakte en gepresenteerde documentaire serie Waarom werken vrouwen niet? al op de NPO uitgezonden. Haar boek is haar persoonlijke visie op wat ze heeft onderzocht voor die productie.

Hoewel de boeken van de schrijfsters hetzelfde onderwerp behandelen, benaderen ze die wel vanuit verschillende invalshoeken. Zoals haar titel al weggeeft, gaat Van Gool uit van de loonkloof tussen mannen en vrouwen, waardoor vrouwen gedurende hun hele leven €300.000,- mislopen. Staats daarentegen richtte haar serie en boek in rond het ‘deeltijdprinsessen-fenomeen’, het feit dat 62% van de werkende vrouwen in Nederland een parttime baan heeft. Desalniettemin kaarten Van Gool en Staats vrijwel precies dezelfde kwesties aan. De onderwerpen waar de ene schrijfster wellicht minder op ingaat, die komen in het boek van de ander dan wel weer aan bod. Bovendien komen zij tot dezelfde conclusies, zij het wellicht op verschillende manieren – Staats leunt zoals het een journaliste eigen is meer op interviews met experts terwijl Van Gool de wetenschappelijke literatuur erop na heeft geslagen.

Waar de twee boeken vooral in verschillen is het doel en de bijbehorende toon. Staats wil haar lezers wel graag handvaten meegeven om de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op de werkvloer aan te pakken, maar haar boek is vooral een vurig betoog. Het zijn haar ervaringen, waar ze de oorsprong van heeft weten te traceren in gesprekken met experts, en haar meningen die ze de lezer vooral meegeeft. Daarmee kunnen zij op hun beurt kritischer nadenken wanneer er weer eens over Nederland als ‘deeltijdparadijs’ wordt gesproken – en hopelijk ook over de werkindeling bij hun thuis. Van Gools werk is daarentegen een echte handleiding te noemen. Niet alleen weet ze met haar expertise waterdicht het bestaan van een loonkloof tussen mannen en vrouwen te onderbouwen, de laatste hoofdstukken van haar boek zijn ook daadwerkelijk lessen in hoe welk lezend individu dan ook dit probleem bij hun werkgever kan aanpakken. Hoewel Van Gool haar eigen ervaringen benoemt, is haar boek bovendien objectiever in toon en laat ze geen twijfel over het bestaan van het centrale probleem in haar boek. Die loonkloof is er en gaat niet weg als je er niets aan doet. Staats benadrukt wel dat er seksisme ligt aan de kern van het grote aantal parttime werkende vrouwen, waar ze haar lezers vooral anders over wilt laten nadenken. Of het dan, met de informatie die zij heeft meegegeven, nog onwenselijk is voor vrouwen om parttime te gaan werken in plaats van hun mannelijke partners, daar laat ze ondanks haar eigen overtuigingen ruimte voor open.


De één of de ander?


Van Gools objectieve redeneringen zullen bij de ene lezer beter aanslaan en Staats subjectievere onderbouwingen bij de ander. Maar wat het interessantst is om te doen, is om ze eens naast elkaar te leggen. Wat mij namelijk vooral opviel is dat de schrijfsters heel erg op dezelfde lijn zitten, dezelfde feiten opnoemen en die met dezelfde informatie en feiten onderbouwen. Van Gool en Staats doen dus niet aan elkaar onder als het om hun expertise gaat. Ze zijn weten duidelijk waar ze het over hebben en ze zijn ook even bevlogen over het onderwerp. Kort gezegd vullen ze elkaar eigenlijk alleen maar aan. Dus kiezen voor het ene of het andere boek, dat hoeft niet per se.